De komende maanden worden in veel gemeenten belangrijke financiële keuzes gemaakt. Juist nu is het moment om scherp te kijken naar de middelen die beschikbaar zijn voor klimaat, energie en isolatie. Want geld beschikbaar hebben is één ding. Zorgen dat het op het juiste moment, voor het juiste doel en binnen de juiste financiële kaders wordt ingezet, is minstens zo belangrijk.
Gemeenten hebben de afgelopen jaren vanuit verschillende regelingen aanzienlijke middelen ontvangen voor de uitvoering van klimaat- en energiebeleid. Denk aan CDOKE, de lokale aanpak isolatie, de aanpak energiearmoede en verschillende provinciale regelingen. En daar komen nieuwe middelen bij. Zo ontvangen gemeenten in 2026 ook middelen voor de uitvoering van de nieuwe verplichtingen vanuit EPBD IV.
Tegelijkertijd zien we in de praktijk dat de uitvoering van deze opgaven tijd kost. Projecten lopen over meerdere jaren, capaciteit is schaars, onderzoeken moeten worden uitgevoerd en besluitvorming duurt soms langer dan vooraf voorzien.
Daardoor ontstaat een risico: er is geld beschikbaar, maar de daadwerkelijke besteding loopt niet altijd gelijk op met het moment waarop dat geld financieel beschikbaar komt.
Met de begrotingscyclus in volle gang is dit daarom een goed moment om niet alleen vooruit te kijken naar wat er volgend jaar nodig is, maar ook terug te kijken: welke middelen zijn al beschikbaar, welke nieuwe middelen komen binnen, welke verplichtingen horen daarbij en hoe zorgen we ervoor dat de beschikbare financiële ruimte daadwerkelijk ten goede blijft komen aan de energietransitie?
Van subsidieoverzicht naar financiële strategie
De energietransitie wordt inmiddels vanuit een behoorlijk aantal geldstromen gefinancierd. Die regelingen kennen ieder hun eigen doel, looptijd, voorwaarden en verantwoordingssystematiek. Dat maakt het financiële speelveld complex.
CDOKE is bijvoorbeeld in het leven geroepen om decentrale overheden voldoende capaciteit te geven voor de uitvoering van klimaat- en energiebeleid. De middelen kunnen daarmee onder voorwaarden worden ingezet voor personeel en externe capaciteit. Daarnaast zijn er middelen voor de lokale aanpak isolatie, voor de aanpak van energiearmoede en voor specifieke onderdelen van de uitvoering, zoals onderzoeken die noodzakelijk zijn om isolatie mogelijk te maken met inachtneming van beschermde soorten.
Tegelijkertijd komen er via het gemeentefonds middelen beschikbaar voor nieuwe taken. Een actueel voorbeeld daarvan is EPBD IV. Juist doordat dergelijke middelen onderdeel zijn van een bredere gemeentefondsuitkering, is het belangrijk dat beleidsinhoud en financiën elkaar tijdig weten te vinden.
Wie alleen per regeling kijkt of er nog geld beschikbaar is, mist daarom een belangrijk deel van het vraagstuk. De interessantere vraag is hoe al die middelen zich tot elkaar verhouden.
Welke kosten worden nu uit de reguliere exploitatie betaald, terwijl daarvoor mogelijk specifieke middelen beschikbaar zijn? Welke oudere middelen moeten binnen afzienbare tijd worden besteed? Welke nieuwe tranches komen beschikbaar? Welke middelen komen via het gemeentefonds binnen? En welke activiteiten die voor de komende jaren gepland staan, kunnen nu al financieel worden gekoppeld aan beschikbare budgetten?
Dat vraagt om samenwerking tussen inhoud, financiën en bestuur.
CDOKE: kijk niet alleen naar projecten, maar ook naar capaciteit
Een belangrijk aandachtspunt daarbij is capaciteit. Veel gemeenten hebben de afgelopen jaren extra mensen ingezet voor de energietransitie. Soms zijn dat eigen medewerkers, soms externe adviseurs of tijdelijke projectcapaciteit.
Het is belangrijk om goed te onderzoeken welke van deze kosten binnen de voorwaarden van CDOKE kunnen worden toegerekend. Wanneer capaciteit aantoonbaar wordt ingezet voor activiteiten die binnen de regeling vallen, kan het logisch zijn om deze kosten ook uit die middelen te financieren.
Dat klinkt als een financieel-technische exercitie, maar heeft direct gevolgen voor de uitvoeringskracht van een gemeente. Wanneer specifieke middelen worden benut waarvoor ze bedoeld zijn, ontstaat elders in de begroting ruimte en wordt tegelijkertijd voorkomen dat beschikbare klimaatmiddelen onvoldoende worden benut.
Daarbij helpt een eenvoudig uitgangspunt: kijk eerst naar middelen die het langst beschikbaar zijn en waarvan de bestedingstermijn het eerst afloopt. Nieuwe middelen aanspreken terwijl oudere budgetten blijven staan, kan later onnodige financiële druk opleveren.
Niet automatisch dus, maar bewust en onderbouwd.
EPBD IV: nieuwe taken, dus kijk ook naar de middelen
Een nieuwe ontwikkeling die juist in de huidige begrotingscyclus aandacht verdient, is de implementatie van de herziene Europese richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen, de EPBD IV.
De EPBD IV is op 29 mei 2026 deels in werking getreden. Daarmee komen nieuwe en aanvullende werkzaamheden op gemeenten af, onder andere op het gebied van uitvoering, toezicht en handhaving.
Daar staan ook middelen tegenover. Voor de eerste tranche ontvangen gemeenten in 2026 gezamenlijk €1,4 miljoen via het gemeentefonds voor extra uitvoerings-, toezicht- en handhavingskosten. De verdeling vindt plaats op basis van een vast bedrag per gemeente, het aantal woningen en de hoeveelheid utiliteitsbouw. De bedragen per gemeente zijn opgenomen in de bijlage bij de Septembercirculaire gemeentefonds 2026.
En juist daar zit een belangrijk aandachtspunt.
Wanneer middelen via het gemeentefonds binnenkomen, is de koppeling tussen het geld en de inhoudelijke opgave binnen de gemeentelijke begroting niet altijd vanzelfsprekend zichtbaar. Voor beleidsmedewerkers energie en duurzaamheid is het daarom verstandig om actief met Financiën te controleren welk bedrag de gemeente ontvangt en hoe dit in de begroting wordt verwerkt.
De komst van EPBD IV betekent immers niet alleen nieuwe regelgeving. Het betekent ook nieuwe werkzaamheden. Denk vooruit: welke capaciteit is nodig voor uitvoering? Wat vraagt dit van toezicht en handhaving? Welke kennis moet binnen de organisatie worden opgebouwd? En welke kosten verwachten we de komende jaren?
Door die vragen nu te beantwoorden, kan de gemeente de beschikbare middelen bewust meenemen in de financiële afwegingen voor de uitvoering van EPBD IV.
Nieuwe taak, nieuwe middelen. Zorg daarom dat die twee binnen de gemeentelijke begroting ook daadwerkelijk met elkaar in verband worden gebracht.
Ook isolatiemiddelen vragen om vooruitkijken
Hetzelfde geldt voor de middelen voor de lokale aanpak isolatie. Gemeenten hebben hiervoor via verschillende tranches budget ontvangen om slecht geïsoleerde woningen en VvE’s te verduurzamen.
De uitvoering daarvan loopt nog meerdere jaren door. Dat geeft ruimte, maar kan ook een vals gevoel van comfort creëren. Een einddatum verder in de toekomst betekent immers niet dat besluitvorming kan wachten.
Juist nu is het verstandig om de verwachte uitvoering tot en met 2028 naast de beschikbare middelen te leggen. Hoeveel woningen willen we bereiken? Welke uitvoeringskosten verwachten we? Welke onderzoeken zijn nodig? Welke capaciteit vraagt dat? En welke middelen moeten daarvoor nu al worden gereserveerd?
Daar komt bij dat de uitvoering van isolatiebeleid steeds nadrukkelijker samenhangt met andere beleidsterreinen. Natuurwetgeving en soortenbescherming kunnen bijvoorbeeld bepalend zijn voor het tempo waarin woningen geïsoleerd kunnen worden.
Ook daarvoor zijn financiële mogelijkheden.
Zo bestaan er provinciale mogelijkheden om activiteiten te ondersteunen die energiebesparing door isolatie versnellen en tegelijkertijd rekening houden met beschermde soorten. Denk bijvoorbeeld aan noodzakelijk onderzoek of maatregelen rond alternatieve verblijfplaatsen. Voor dergelijke regelingen gelden aanvraagtermijnen. Dat betekent dat wachten tot een project daadwerkelijk vastloopt meestal niet de beste strategie is.
Vooruitkijken naar wat straks nodig is, kan nu financiële ruimte opleveren.
Energiearmoede: benut de extra tijd
Ook voor de aanpak van energiearmoede hebben gemeenten middelen ontvangen. De landelijke uitvoeringstermijn is verlengd, waardoor meer tijd beschikbaar is om huishoudens structureel te ondersteunen.
Die extra tijd is waardevol, maar zou vooral gebruikt moeten worden om de aanpak te versterken.
Welke middelen zijn nog beschikbaar? Welke huishoudens zijn nog niet bereikt? Welke maatregelen leveren niet alleen op korte termijn verlichting op, maar zorgen ook structureel voor een lagere energierekening? En hoe kunnen bestaande uitvoeringsstructuren worden gebruikt om de resterende middelen doelgericht in te zetten?
Ook hier geldt: het beschikbare budget is geen doel op zichzelf. De maatschappelijke impact die ermee wordt gerealiseerd wel.
De begroting bepaalt mede wat straks mogelijk is
Misschien wel het belangrijkste moment ligt daarom niet bij de subsidieaanvraag, maar in de reguliere planning- en-controlcyclus.
Wanneer specifieke middelen niet duidelijk herkenbaar zijn in begroting, administratie en besluitvorming, ontstaat het risico dat de oorspronkelijke bedoeling ervan uit beeld raakt. Zeker wanneer projecten meerdere jaren duren of budgetten over jaargrenzen heen moeten worden ingezet.
Dat geldt óók voor middelen die via het gemeentefonds binnenkomen. De middelen voor EPBD IV zijn daarvan een actueel voorbeeld. Juist omdat het geld niet als losse subsidie op het bureau van een beleidsmedewerker terechtkomt, is het belangrijk om tijdig de verbinding met Financiën te leggen.
Daarom is het verstandig om nu met Financiën te bespreken hoe middelen voor klimaat en energie herkenbaar en herleidbaar worden vastgelegd.
Dat begint met inzicht. Welke middelen hebben we ontvangen? Welke nieuwe middelen ontvangen we via het gemeentefonds? Welke voorwaarden gelden? Wat is al besteed? Welke verplichtingen zijn aangegaan? Wat verwachten we de komende jaren nog nodig te hebben?
Vervolgens is de vraag hoe deze middelen binnen de gemeentelijke financiële kaders worden geborgd. Afhankelijk van het type regeling en de lokale financiële afspraken kan dat bijvoorbeeld via duidelijke budgetetikettering, resultaatbestemming, overheveling of een door de raad ingestelde bestemmingsreserve.
De exacte oplossing verschilt per gemeente. Het principe niet: maak expliciet welk geld voor welke opgave beschikbaar is en zorg dat daar bestuurlijke besluitvorming onder ligt.
Dat voorkomt discussies achteraf en maakt bovendien zichtbaar dat de energietransitie geen verzameling losse projecten is, maar een meerjarige uitvoeringsopgave.
Geef de portefeuillehouder het goede verhaal mee
Dat financiële gesprek is niet alleen ambtelijk. Ook bestuurlijk moet duidelijk zijn waarom het belangrijk is om beschikbare middelen voor klimaat en energie daadwerkelijk voor deze opgaven beschikbaar te houden.
Daarvoor zijn verschillende argumenten.
Allereerst zijn veel middelen verstrekt met een duidelijk doel en bijbehorende voorwaarden. Zorgvuldige besteding en verantwoording zijn daarom noodzakelijk.
Maar er is ook een inhoudelijk argument. De komende jaren neemt de uitvoeringsopgave niet af. Warmteprogramma’s moeten worden uitgevoerd, woningen moeten worden geïsoleerd, EPBD IV brengt aanvullende uitvoerings-, toezicht- en handhavingstaken met zich mee, netcongestie vraagt om keuzes, energiearmoede blijft aandacht vragen en de energietransitie raakt steeds sterker verweven met ruimtelijke ontwikkeling, natuur, economie en het sociaal domein.
Dan is het moeilijk uitlegbaar wanneer beschikbare uitvoeringsmiddelen verdwijnen, terwijl een jaar later opnieuw capaciteit of budget nodig blijkt te zijn.
Een derde argument is continuïteit. De energietransitie vraagt om langdurige samenwerking met inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners. Steeds opnieuw capaciteit opbouwen en afbouwen helpt daarbij niet. Financiële continuïteit draagt daarmee rechtstreeks bij aan uitvoeringskracht.
Begin daarom niet bij de vraag: hoeveel geld hebben we nog?
Begin bij wat er de komende jaren moet gebeuren.
Leg vervolgens de activiteiten, capaciteit en verwachte kosten naast alle beschikbare geldstromen. Kijk daarbij verder dan het lopende begrotingsjaar. Controleer de looptijden en voorwaarden van bestaande regelingen, onderzoek welke kosten terecht aan specifieke middelen kunnen worden toegerekend, kijk welke middelen via het gemeentefonds beschikbaar komen en breng nieuwe subsidiemogelijkheden tijdig in beeld.
En misschien nog belangrijker: voer dat gesprek niet alleen vanuit duurzaamheid.
Betrek Financiën vroegtijdig. Zorg dat de controller begrijpt welke meerjarige opgave achter de budgetten zit. Geef de portefeuillehouder de inhoudelijke argumentatie om keuzes in College en Raad te kunnen verdedigen. En zorg dat financiële en beleidsmatige keuzes elkaar versterken.
Want uiteindelijk is het zonde wanneer geld dat bedoeld is om de energietransitie te versnellen niet wordt ingezet omdat begrotingscycli, beleidsplanning en uitvoering onvoldoende op elkaar aansluiten.
De middelen zijn er op veel plekken al. De opgave ook. De kunst is om die twee op tijd bij elkaar te brengen.
Even samen naar de beschikbare middelen kijken?
Bij Facet werken we dagelijks met gemeenten aan de uitvoering van klimaat-, energie- en isolatiebeleid. Daarbij kijken we niet alleen naar beleid en projecten, maar ook naar de capaciteit, middelen en organisatie die nodig zijn om plannen daadwerkelijk uitgevoerd te krijgen.
De komende begrotingsperiode is een logisch moment om de beschikbare middelen, resterende budgetten, nieuwe gemeentefondsmiddelen en geplande activiteiten naast elkaar te leggen. Niet om zoveel mogelijk budget ‘vast te houden’, maar om ervoor te zorgen dat middelen die voor maatschappelijke opgaven beschikbaar zijn gesteld ook daadwerkelijk maatschappelijke impact maken.
Heb je behoefte om eens te sparren over de beschikbare budgetten, subsidiemogelijkheden of de koppeling met de begroting? Neem gerust contact met ons op.
De toekomst vorm je samen.
Meer weten?
Dide Kuunders Adviseur